Werk jij 7B Proof? Acties voor kwetsbare werkzoekenden in Gent

Toegankelijkheid

Hoe toegankelijk is jouw dienstverlening? Door je aanbod te bekijken door de bril van de 7 B-s, kom je drempels sneller op het spoor en weet je welke acties het meest effect zullen hebben.

De 7 B-s van toegankelijkheid zijn een handig HULPMIDDEL om met een kritische blik te zoeken naar DREMPELS in je werking. Soms houden we zelf – onbewust – drempels in stand, waardoor het voor een deel van ons doelpubliek lastig is om het aanbod ten volle te benutten. Mensen die net wat ‘anders’ zijn dan jouw mainstream vinden dan moeilijker aansluiting.

Lees hieronder de 10 tips voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod.

Tip # 1 van 10: BRENG JE DOELGROEP IN KAART EN KIJK WIE SYSTEMATISCH ONTBREEKT

Tip # 2 van 10: KIES HET DEEL VAN JE AANBOD WAARVAN JE DE TOEGANKELIJKHEID WIL BEPALEN

Tip # 3 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG “ZIJN WE BEKEND?”

Tip # 4 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG “ZIJN WE BEREIKBAAR?”

Tip # 5 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BESCHIKBAAR?”

Tip # 6 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BETAALBAAR?”

Tip # 7 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BRUIKBAAR?”

Tip # 8 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BEGRIJPELIJK?”

Tip # 9 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BETROUWBAAR?”

Tip # 10 van 10 : BEPAAL JE PRIORITEITEN EN MAAK EEN ACTIEPLAN

Op 27 september ’17 praat ik over de 7 B-s en hoe ze ingezet kunnen worden om de toegankelijkheid van de dienstverlening aan kwetsbare werkzoekenden te optimaliseren. Dit tijdens het event van Gent Stad in Werking. Aansluitend kunnen de deelnemers tafelen met 9 Gentse projecten, die hun werking zullen toelichten. Tijdstip: 12u30 – 16u30. Locatie: NEST (de oude stadsbib). Deelname is gratis en inschrijven kan nog steeds.

10 Tips voor Kwaliteitsvolle Palliatieve Zorg in Diversiteit

Tips & trics & tools

Koester gelijkenissen en biedt ruimte aan verschillen*

Interculturele palliatieve zorg bestaat niet als een afzonderlijk soort zorg. Zoals elke kwaliteitsvolle zorg in de palliatieve fase is het in de eerste plaats een cliënt- en vraaggerichte zorg, maar dan in een context van diversiteit. Het gaat om ‘brede’ zorg gericht op levenskwaliteit op vlak van lichamelijk en mentaal welbevinden, wonen en sociaal leven. Het doel is de cliënt een maximale levenskwaliteit te bieden zonder verlies van regie over het eigen leven.

(*Dit artikel werd gepubliceerd in Peiler, jg. 1, nr. 2. Ik wens daarbij met klem afstand te nemen van de prent van huiscartoonist Kamagurka, die de redactie zonder overleg met mij bij het artikel plaatste. Ik vind de cartoon beledigend t.a.v. moslims en zeer cultuur-ON-sensitief, en ik zou zoiets nooit doen. Heel spijtig.)

Blijven we trouw aan deze principes in een context van diversiteit, dan wordt vanzelf een cultuursensitieve houding ontwikkeld. Een vraaggerichte zorg zal  ook hier aansluiten bij wensen die voortkomen uit levensbeschouwing, leefstijl en cultuur. In dit artikel selecteer ik 10 tips om cultuursensitiviteit te versterken.

 TIPS VOOR MEDEWERKERS

1.     Zie de persoon, niet de cultuur

Het dagelijks leven van palliatieve patiënten met migratie-achtergrond en hun familie is zeer verscheiden en beantwoordt vaak niet aan de gangbare stereotypen. Wie de ander oprecht vanuit interesse benadert, zal een persoon ontdekken en geen ‘cultuur’.

2.     Ga in gesprek, communicatie is de kern

Zoals bij alle palliatieve patiënten is in gesprek gaan en blijven communiceren van groot belang. Wees proactief en vraag zelf naar wensen omtrent maaltijden, religie en omgangsvormen. Maak hierover ook duidelijke afspraken. Je open en oprechte interesse creëert veiligheid en vertrouwen. Daardoor zullen taalproblemen geleidelijk afnemen. Vertrouwen brengt mensen ertoe manieren te zoeken om verstaanbaar te zijn voor mekaar.

3.     Bied ruimte aan rituelen, gewoontes en eigen handelen van familie

Nabestaanden hebben, los van culturele verschillen, vergelijkbare behoeftes en wensen. Ze delen dezelfde emoties en universele behoefte om de eigen rituelen van het stervensproces vorm te geven. Van zorgverleners vragen zij inlevingsvermogen, begrip en respect. Enige kennis van de culturele achtergrond kan zinvol zijn, maar wie er teveel op vertrouwt, komt soms bedrogen uit. Aandacht voor wat patiënt en familie aangeven is essentiëler.

4.     Wees je bewust van eigen waarden en normen

Sommige vragen van cliënten botsen met de eigen normen en waarden. Op zo’n moment is het belangrijk om niets uit de weg te gaan en de eigen beelden ter discussie te stellen. Een cultuursensitieve houding betekent dat we de ander proberen begrijpen, ook als we het niet met elkaar eens zijn.

5.     Laat het management weten welke ondersteuning je nodig hebt

Als medewerker wil je (allochtone) patiënten en hun familie veiligheid bieden, een goed contact onderhouden, tijd nemen en mensen stimuleren tot praten over moeilijke onderwerpen. Ondersteuning vanuit het management is hierbij nodig. Wanneer je duidelijk aangeeft welke drempels je ervaart in het huidige systeem, wordt het makkelijker om hier iets aan te doen. 

 TIPS VOOR HET BELEID

6.     Bekijk welke aanpassingen nodig en mogelijk zijn en biedt ruimte voor niet-alledaagse gebeurtenissen

Vanuit een visie op ‘zorg op maat’ streef je er vooral naar tegemoet te komen aan wensen en behoeften van patiënt en familie, ongeacht of die voortkomen uit religieuze of culturele verschillen, of een andere oorsprong kennen. Soms stuit je daarbij op grenzen van de instelling. Als management kan je zoeken naar mogelijkheden om grenzen aan te passen of een alternatief te bieden.  

7.     Schep voorwaarden die medewerkers ondersteunen

Het is cruciaal dat medewerkers ondersteund worden in hun inspanningen. Dit kan met teamoverleg, themabijeenkomsten, VTO, concrete werkinstrumenten, het faciliteren van tolken, … Voorts is het van belang mogelijkheden te bieden tot zelfreflectie, inter- en supervisie.

8.     Streef naar culturele mix in het personeelsbestand

Met diversiteit in haar team vindt de organisatie makkelijker creatieve en flexibele oplossingen en verhoogt ze haar herkenbaarheid voor cliënten. Dit betekent niet dat de allochtone medewerker ingeschakeld wordt voor de zorg aan de allochtone patiënt. Noch de cliënt, noch de medewerker waarderen dat altijd. Een ‘instrumentele’ benadering van diversiteit kan contraproductief zijn. 

9.     Maak werk van interculturalisering

Om te vermijden dat cultuursensitieve medewerkers uitgeput raken of dat veranderingen de kwetsbaarheid van een tijdelijk project  niet ontgroeien, is inbedding en borging nodig. Maak cultuursensitieve zorg een vast onderdeel van het beleid. Zorg voor een aanspreekpunt en vervul een voorbeeldfunctie. Als leidinggevenden het belang van cultuursensitieve zorg actief uitdragen, zullen medewerkers extra inspanningen doen.

10.    Niet bang zijn, gewoon beginnen

Goed beschouwd zou interculturele palliatieve zorg niet moeten bestaan, maar op dit moment is het wel degelijk belangrijk voor zorgorganisaties om ‘oog en oor’ te ontwikkelen voor culturele diversiteit. Teveel patiënten met migratie-achtergrond vinden nog geen toegang tot gepaste zorg. We mogen ons dus niet laten afremmen door onzekerheid. Wanneer actie in de praktijk samen gaat met beleidswerk, komt er een dynamiek op gang die wel degelijk tot duurzame verandering leidt.

 

Video: Futuristische mijnenveger

Kracht van Diversiteit, Verhalen

Kijk, dit is nu waarom ik zo sterk geloof in de Kracht van Diversiteit! Als we de krachten bundelen, elk vanuit ons eigen denkkader, dan kunnen we eenvoudige, haalbare oplossingen vinden voor de problemen die onze planeet teisteren. Zoals de Afghaanse ontwerper Massoud Hassani hier illustreert met zijn mijnenvegende Tumbleweed.

Deze reusachtige ‘Tumbleweed’ is eigenlijk een mijnenveger. Het is een metalen bal met poten van bamboe, die door de wind wordt aangedreven. Zwaar genoeg om al rollend landmijnen te doen ontploffen. De poten worden eraf geblazen, maar de kern blijft intact. ‘Mine Kafon’ kan tot 4 explosies incasseren.

Alles bij elkaar kost het ontwerp minder dan $ 40,- om te maken. In de kern is een gps chip ingebouwd, waardoor de ‘Tumbleweed’ gevolgd kan worden en registreert welke gebieden terug veilig zijn.

De mijnenveger werd uitgevonden door de Afghaanse ontwerper Massoud Hassani en is geïnspireerd op de windspeeltjes die hij vroeger als kind samen met z’n broertje maakte, in de woestijn ten noorden van Kaboel waar hij opgroeide. In Afghanistan liggen alleen al op 1/4 van de oppervlakte nog 10 miljoen landmijnen verspreid. Hassani hoopt met mijn ontwerpen anderen te inspireren om zich aan te sluiten bij zijn missie, nl. de planeet binnen een decennium te zuiveren van landmijnen. Hij werkt o.a. samen met Unicef.

In 2015 maakten dergelijke wapens vrijwel uitsluitend burgerslachtoffers. De wapens doden, verwonden, verminken en veroorzaken ernstige psychologische trauma’s.

 

Alma Al-Osta, wapenexpert en lobbyist voor Handicap Internationaal

In november 2016 meldde het Landmine Monitorrapport nog een duizeling-wekkende toename van het aantal nieuwe slachtoffers. Minstens 6.461 personen kwamen in 2015 om het leven of raakten gewond door deze wapens. De meeste slachtoffers vielen in Afghanistan, Libië, Jemen, Syrië en Oekraïne, maar in totaal zijn 64 staten en gebieden over de hele wereld bezaaid met mijnen en explosieve oorlogsresten.

In zijn ontwerp combineert Massoud Hassani elementen uit verschillende culturele sferen: hoogtechnologische apparatuur, bamboe, een kinderspeeltje dat uitvergroot wordt, … Zo ontstaat vanuit interculturele kruisbestuiving een duurzame en goedkope oplossing voor een probleem waar een groot deel van de wereld mee worstelt. Dit illustreert voor mij het potentieel dat we kunnen aanboren, wanneer we investeren in verbinding in diversiteit.

Diversiteit: een verhaal van veelzijdige, veranderlijke en contextgebonden identiteiten

Stukje theorie

Diversiteit maakt deel uit van ieders leven. Vandaag spreken we zelfs over superdiversiteit om de stedelijke samenleving te beschrijven. We hoeven dat niet positief of negatief te vinden: diversiteit is gewoon een realiteit waartoe we ons op de één of andere manier moeten verhouden. Maar wat betekent die term nu eigenlijk? En waarom kiezen we maar beter voor een brede invulling van het woord?

Diversiteit betekent verscheidenheid, variatie. We spreken bijvoorbeeld over ‘biodiversiteit’ of een divers aanbod aan groenten en fruit. Als we het over mensen hebben – vb. er is diversiteit in ons team of in onze doelgroep – dan zeggen we iets over de identiteit van mensen.

Onze identiteit is veelzijdig: ze omvat de verschillende facetten van wie we zijn. We vormen onze identiteit uit de verzameling van al onze kenmerken. Een aantal van die kenmerken liggen bij onze geboorte al vast, zoals onze huidskleur, leeftijd, geaardheid, familie. Andere ontwikkelen we doorheen ons leven, zoals onze talenkennis, normen en waarden, tradities, beroep, enz. Onze identiteit ontstaat op het kruispunt van die verschillende dimensies.

Stel: we bezoeken de amateurtoneelvereniging bij ons om de hoek en ontmoeten de 10 acteurs. Hun passie voor toneel verbindt hen, maar verder zien we in hun identiteit veel variatie. Ze verschillen in gender, leeftijd, inkomen, opleiding, talenten, levensbeschouwing, familie-geschiedenis uiterlijk, …

Diversiteit: de enige eigenschap die we ALLEMAAL hebben.

Onze identiteit is ook dynamisch: ze is constant in evolutie. Als we hetzelfde groepje na een jaar terug zien, merken we dat hun identiteiten al een stuk verschoven zijn. Karel heeft besloten om toe te geven aan zijn verlangen om Karolien te zijn. Mariesol is moeder geworden. Steven is gaan samenwonen met Zinnedin. Noémie is gescheiden. Junior heeft zijn Master in Germaanse talen afgerond. Deze verschuivingen hebben een invloed op hoe zij zich gedragen, wat ze belangrijk vinden en hoe ze met ons en met elkaar in interactie treden.

Onze identiteit is tenslotte ook contextgebonden. Welke elementen van onze identiteit we meer voorop stellen, hangt af van de situatie waarin we ons bevinden. Wanneer je in het buitenland bent, wordt je nationaliteit of het continent waartoe je behoort plots belangrijk in je omgang met mensen, terwijl je er in je dagelijks leven misschien amper bij stilstaat. En in familiecontext zal je identiteit als zus, neef, oom of mama meer op de voorgrond treden dan in een professionele context.

Deze 3 identiteitsdynamieken hebben we allemaal met elkaar gemeen, ongeacht of we een migratieverhaal in de familie hebben of niet. Diversiteit heeft dus met veel meer te maken dan met migratie alleen. Toch blijven we in onze kijk op de superdiverse samenleving nog té vaak migratie of het etnisch-culturele aspect voorop stellen als het bepalende element. Dit staat voor een deel de verbinding in de weg. Willen we de diversiteit in onze organisatie als een rijkdom kunnen inzetten, dan zullen we nood hebben aan een brede invulling van het begrip.

 

Tip # 10 van 10 voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod

Ongecategoriseerd

Nu we onze huidige manier van werken gescreend hebben op toegankelijkheid aan de hand van de 7 B-s, is het moment gekomen om daar conclusies uit te trekken. Waar zitten de voornaamste knelpunten? Welke drempels houden we (wellicht onbewust) in stand? En wat zullen we daar de komende maanden concreet aan doen? Tijd voor ACTIE!

Tip # 10 van 10 : BEPAAL JE PRIORITEITEN EN MAAK EEN ACTIEPLAN

Om je prioriteiten te kunnen bepalen en een actieplan te maken heb ik voor jou een Werkblad Actieplan Toegankelijkheid ontwikkeld, dat je kan openen door op de link te klikken. Je hoeft daarvoor geen e-mail adres in te voeren. Je krijgt het helemaal cadeau!

Vul eerst het doelpubliek en het initiatief in waarvoor je de oefening maakte. Ook in je actieplanning blijf je hier de focus op houden. Breng vervolgens elke score die je de voorbije dagen aan de 7 B-s gaf, over in het diagram.

PRIORITEITEN BEPALEN

Dat doe je door op elke as een punt te zetten bij het passende cijfer. Verbind vervolgens de punten met elkaar, zoals in het onderstaande voorbeeld.

Nu zie je in één oogopslag waar zich de grootste drempels voor de toegankelijkheid van je aanbod of initiatief voor (een specifiek deel van) je doelgroep situeren. Waar de figuur breed open gaat, zit de toegankelijkheid goed. Waar de figuur zich sluit naar de kern, zijn er drempels. In dit voorbeeld liggen de prioriteiten om de toegankelijkheid te verbeteren, bij BETROUWBAARHEID en bij BRUIKBAARHEID.

ACTIEPLAN MAKEN

Eens het duidelijk is wat voor jouw organisatie de prioriteiten zijn, kan je samen met je team brainstormen over mogelijke acties. De VOORBEELDEN VAN VERBETERACTIES, die bij elke B werden opgesomd, kunnen hier dienen als inspiratie.

Selecteer uit de brainstorm een paar concrete acties. Maak daarbij een onderscheid tussen wat jij persoonlijk kan (individueel) doen en wat je team of organisatie kan doen (collectief). Je kan ook een onderscheid maken tussen

  • beginnen doen
  • anders doen
  • niet meer doen

Probeer bij het bepalen van acties rekening te houden met de draagkracht van jou en je team. Beter 2 acties uitwerken die haalbaar zijn en die je effectief zal kunnen volbrengen, dan een actieplan te maken van 10 acties en dan na een jaar te merken dat geen enkel is gelukt …

Streef er ook naar om je acties SMARTI te formuleren:

  • Specifiek
  • Meetbaar
  • Acceptabel
  • Realistisch
  • Inspirerend

Zo! Daarmee ben ik aan het eind gekomen van 2 weken en 10 tips voor een bredere toegankelijkheid van school, hulp- en dienstverlening, sport en vrije tijdsaanbod. Heb je een vraag of feedback, laat dan zeker hieronder een reactie achter. Je kan me ook vrijblijvend contacteren via de contactpagina of op het nummer 0479 78 60 20. Ik ga graag met je in gesprek.

Veel succes!

 

 

 

Tip # 9 van 10 voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod

Ongecategoriseerd

Vandaag al de laatste van de 7 B-s van Toegankelijkheid!

Merk je dat jongeren, LGBT, mensen met migratie-achtergrond, … systematisch weg blijven bij je jeugdbeweging, schoolfeest, hulp- en dienstverlening of sportclub – ook al wil je hen er oprecht graag bij? Dan kan je nog een laatste mogelijke drempel in overweging nemen, nl. de BETROUWBAARHEID. We stellen onszelf de vraag: heeft onze doelgroep vertrouwen in ons? We staan stil bij ons imago en bij wat we doen om vertrouwen in te boezemen.

Tip # 9 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BETROUWBAAR?”

Belangrijke vragen hier zijn:

  • Wat is ons imago bij de verschillende segmenten van onze doelgroep?
  • Heeft iedereen in onze doelgroep vertrouwen in de organisatie en in de medewerkers?
  • Zijn we ook te vertrouwen?
  • Voelen mensen zich welkom bij ons? Bieden wij een warme en veilige omgeving? Dragen we zorg voor mensen die bij ons over de vloer komen?
  • Grijpen we in wanneer iemand hier beledigd of vernederd wordt?
  • Maken we duidelijke afspraken over hoe we met elkaar omgaan? En zorgen we ervoor dat die nageleefd worden?
  • Voeren we een actief non-discriminatiebeleid?
  • Werken we samen met de vertrouwenspersonen van hen die we willen bereiken?

We beantwoorden nog een laatste keer deze vragen, denkend aan dat deel van onze doelgroep dat we moeilijk bereiken. Ik geef een paar voorbeelden. Een organisatie die heel opvallend religieuze symbolen aanbrengt in haar lokalen, zal weinig vertrouwen inboezemen bij mensen van een andere levensbeschouwing, omdat ze het gevoel krijgen dat ze daar niet op hun plaats zijn … Een televisiezender die alleen maar blanke mensen in beeld brengt, wekt bij mensen met een donkerder huidskleur de indruk dat ze van geen tel zijn. Een wachtzaal van een huisartsenpraktijk waar een dakloze door andere patiënten beschimpt wordt, is een onveilige omgeving voor mensen in armoede, tenzij het medisch personeel ingrijpt en de dakloze in bescherming neemt.

Goede praktijk – Het verhitte debat vorige week rond ouderparticipatie naar aanleiding van de uitspraken van minister Crevits zit ons nog vers in het geheugen. Terecht werd in dat verband de aandacht gevestigd op de Gentse brugfiguren. Ze vormen de perfecte illustratie van het verhogen van de betrouwbaarheid van scholen in functie van een bredere toegankelijkheid.

In Gent worden al 20 jaar brugfiguren ingezet om een brug te maken tussen de school en (kwetsbare) ouders. Ze brengen de thuissituatie van kinderen binnen in de school en omgekeerd. Ze vertrekken daarbij vanuit het kind en proberen met de ouders een vertrouwensband op te bouwen. Dat kan zijn door een babbeltje aan de schoolpoort, een kop koffie in de ochtend, een huisbezoek. Soms gaan ze ook met leerkrachten op huisbezoek. De brugfiguren maken op die manier hun naam waar. Ze zijn sleutelfiguren die ook door andere organisaties in de wijk aangesproken kunnen worden. Bij het project Brood ’n Babbel, dat ik vorig jaar bij Buurtwerk in Gent begeleidde, waren de brugfiguren bijvoorbeeld van onschatbare waarde in het toeleiden van mama-s naar onze ontmoetingsmomenten.

Intercultureel bemiddelaars hebben een gelijkaardige functie. In het bijgaande filmpje vertelt Mihaela over haar werk met Roma-cliënten.

Mogelijke verbeteracties

  • We gaan op zoek naar de sleutelfiguren in onze doelgroep en bouwen een goede band met hen op.
  • We werken aan een open sfeer en warm welkom. We hebben bijzondere aandacht voor mensen die voor het eerst bij ons over de drempel stappen.
  • In onze foto-s en ander beeldmateriaal tonen we de diversiteit in onze doelgroep. Zo kunnen mensen zich makkelijker met ons identificeren.
  • In de aankleding van onze lokalen zijn we zo neutraal mogelijk of weerspiegelen we de diversiteit in onze doelgroep.
  • We ontwikkelen een non-discriminatiecode en communiceren er duidelijk over. Het blijft geen dode letter.
  • We zorgen ervoor dat alle personeelsleden én vrijwilligers met cliëntencontact dezelfde open houding uitstralen.

Jouw actie – Beoordeel je situatie op dit moment? Is BETROUWBAARHEID een drempel naar je aanbod of initiatief?

  • 5 punten = dit is helemaal geen drempel
  • 4 punten = we zijn goed bezig
  • 3 punten = het is redelijk
  • 2 punten = hier is nog werk aan de winkel
  • 1 punt      = dit is een grote drempel

Geef jezelf een score en schrijf ze op een papiertje. Morgen bij tip # 10 heb je alle scores bij de B-s opnieuw nodig om je prioriteiten voor actie te bepalen.

De laatste tip uit deze reeks gaat over het selecteren van 2 à 3 werkpunten en het schrijven van een actieplan.

Tip # 8 van 10 voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod.

Ongecategoriseerd

We zijn al bij de voorlaatste B gekomen! De B van BEGRIJPELIJK wijst ons ook in de richting van een mogelijke drempel. We stellen onszelf de vraag: verstaan de mensen in onze doelgroep eigenlijk wel wat we zeggen en schrijven? We denken daarbij niet alleen aan de kennis van de Nederlandse taal, maar ook aan de helderheid van ons Nederlands en de mate waarin we jargon of dialect gebruiken.

Tip # 8 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BEGRIJPELIJK?”

Belangrijke vragen hier zijn:

  • Weten wij welke moedertaal of contacttaal de leden van onze doelgroep spreken?
  • Begrijpt onze doelgroep de taal die we gebruiken?
  • Begrijpt iedereen in onze doelgroep wat we schrijven op flyers en affiches, in folders, op Facebook, in presentaties, …?
  • Gebruiken we niet teveel moeilijke woorden, jargon of dialect?

De taaldrempel heeft een veel grotere impact dan we doorgaans vermoeden. En dit is niet alleen het geval bij mensen voor wie Nederlands een 2de (of 3de, 4de) taal is … Leerkrachten, hulp- en dienstverleners zijn doorgaans hoog geschoold en hebben vaak zelf niet in de gaten hoe complex hun taalgebruik is, hoeveel jargon ze gebruiken, of hoe gemakkelijk het ‘ambtenarees’ in hun zinnen sluipt.

Deze voormiddag stond ik bijvoorbeeld in de lift van een stedelijke dienst en ik las de volgende boodschap: “Het gebruik van de lift is verboden voor onvergezelde kinderen van onder de 18 jaar.” Ik durf te betwijfelen of de kinderen voor wie de boodschap bedoeld is, deze zin kunnen ontcijferen … Dezelfde inhoud kan ook zo klinken: “Kinderen < 18 jaar mogen de lift niet gebruiken als ze alleen zijn.” Of: “Kinderen moeten samen zijn met een volwassene om de lift te gebruiken.”

Een andere belangrijke drempel in begrijpelijkheid is het gebruik van het dialect. Voor iemand uit een andere regio en voor wie algemeen Nederlands als 2de taal leert, zijn dialect gesprekken in een groep – bijvoorbeeld tijdens een activiteit – zo goed als ondoorgrondelijk. Dat verhoogt het gevoel ‘er niet bij te horen’ en kan voor mensen een reden zijn om af te haken.

Opmerkelijke illustratie in dit verband is het initiatief dat men in West-Vlaanderen in 2009 nam. VDAB startte toen met het geven van cursussen ‘West-Vlams voe behunners’. Dat was volgens de VDAB uit pure noodzaak: “Anderstaligen die bij ons Nederlands hebben geleerd, blijken op de werkvloer vaak nergens te staan, omdat er bijna constant West-Vlaams wordt gesproken’, zei docent Hans Declercq toen.

Vaak onderschatten we ook hoe moeilijk het is voor sommige mensen om Nederlands te leren. Daarin speelt een hele waaier aan factoren een rol in. Pol Goossen werkte een aantal jaar geleden mee aan deze animatiefilm, die je kan gebruiken om mensen gevoeliger te maken voor de obstakels die mensen moeten overwinnen bij taalverwerving.

Mogelijke verbeteracties

  • We informeren ons over onze potentiële cliënten of deelnemers en zoeken uit welke taal ze spreken.
  • We spreken en schrijven eenvoudig, toegankelijk Nederlands. We vermijden ‘ambtenarees’. Ons doel is om verstaanbaar te zijn, niet om de Pulitzerprijs te winnen …
  • We ondersteunen eventueel met pictogrammen en illustraties.
  • We schakelen zelf niet onmiddellijk over naar Frans, Engels of een anderecontacttaal in gesprekken met anderstalige cliënten: zo ontnemen we hen niet de kans om Nederlands te oefenen.
  • We houden er rekening mee dat nieuwe inwoners in Vlaanderen wél verplicht Nederlands leren, maar géén dialect …
  • We kiezen voor een waarderende benadering van meertaligheid, vanuit ons doel mensen samen te brengen en te verbinden. Dit kan op vele manieren. Eén voorbeeld is zelf Nederlands te spreken en de ander te laten antwoorden in de moedertaal of een contacttaal. Begrijpen is immers makkelijker dan spreken.

Jouw actie – Beoordeel je situatie op dit moment? Is BEGRIJPELIJKHEID een drempel naar je aanbod of initiatief?

  • 5 punten = dit is helemaal geen drempel
  • 4 punten = we zijn goed bezig
  • 3 punten = het is redelijk
  • 2 punten = hier is nog werk aan de winkel
  • 1 punt      = dit is een grote drempel

Geef jezelf een score en schrijf ze op een papiertje. Bij tip # 10 heb je ze opnieuw nodig.

De laatste B, die we morgen bespreken, is nog een heel belangrijke:  de B van BETROUWBAAR. Hier staan we stil bij ons imago en bij de dingen die we doen om het vertrouwen van onze doelgroep op te wekken.

Graag tot dan!

Tip # 7 van 10 voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod.

Ongecategoriseerd

Toegankelijkheid van je aanbod gaat ook over de B van BRUIKBAARHEID. Wanneer een deel van je doelgroep systematisch je aanbod links laat liggen, dan zou dat kunnen wijzen op een mismatch met de noden / wensen / belangen van je potentiële cliënt of deelnemer. Stel je dan de vraag: zijn wij BRUIKBAAR voor hen?

Tip # 7 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BRUIKBAAR?”

Belangrijke vragen hier zijn:

  • Kennen wij de wensen en behoeften van de verschillende leden van onze doelgroep voldoende?
  • Sluiten onze initiatieven daar voldoende bij aan?
  • Zijn onze activiteiten nuttig / zinvol / interessant voor de doelgroep?
  • Is ons aanbod voldoende gebruiksvriendelijk? Kunnen mensen ermee aan de slag?
  • Maken we duidelijke, heldere afspraken?
  • Functioneert onze groep goed? Of zijn er onderhuidse conflicten die voor een negatieve sfeer zorgen?

Ook in dit deel van de oefening zoomen we in op het segment van onze doelgroep dat we niet bereiken, ondanks dat we dat wél willen. Een lage bruikbaarheid kan echt over de kern van het aanbod gaan. Een computercursus die zich vnl. richt op jongeren zal bijvoorbeeld een andere instapniveau hanteren dan een cursus voor senioren, die niet opgegroeid zijn met computers. Maar soms zit de drempel in kleine dingen, gewoonten die we hebben en die we zo normaal vinden dat we er niet bij stilstaan dat ze voor anderen een drempel kunnen vormen. Bij een vorige werkgever bijvoorbeeld stond naast het toilet een klein plastic waterkannetje. Dit was voor de Islamitische collega’s die zich bij een toiletbezoek liever afspoelden i.p.v. enkel toiletpapier te gebruiken.

Soms zit de drempel ook in de groepsdynamiek of de sfeer die ergens heerst. Een buurthuis of seniorenwerking die door één groep gebruikers volledig ‘geclaimd’ wordt bijvoorbeeld – waarbij ze op subtiele of minder subtiele wijze duidelijk maken dat zij en zij alleen daar de lakens uitdelen – maakt de plaats of activiteit minder bruikbaar voor andersdenkenden. Een radio die luid staat te brullen op een zender die enkel door een klein deel van de doelgroep gewaardeerd wordt, zorgt er eveneens voor dat anderen zich daar niet thuis voelen. Zeker in het domein van vrije tijd zullen mensen zich liever de kwelling besparen dan te proberen tegen het claimgedrag of de onaangename sfeer in te gaan.

Casus – De vraag van bepaalde cliënten om niet door iemand van het andere geslacht geholpen te worden, kunnen we ook onder BRUIKBAARHEID situeren. Vooral in de gezondheidszorg – waarbij de cliënt iemand in z’n intieme ruimte moet toelaten – komt het regelmatig voor dat een cliënt uitdrukkelijk vraagt naar een dokter of  hulpverlener van hetzelfde geslacht. Ik denk aan vrouwen met barensweeën die op de spoed vragen naar een vrouwelijke gynaecoloog, of mannen die het niet zien zitten om hun kwetsbaarheid te tonen bij een vrouwelijke psychologe. Of ik denk aan het Woonzorgcentrum dat ik begeleidde, waar de zusters die er nog woonden, niet door de mannelijke zorgkundige gewassen wilden worden. Ook al was hij even competent als z’n collega’s en bijzonder aimabel van karakter, de gedachte dat hun lichaam door een andere man dan God aangeraakt zou worden, was voor hen ondraaglijk.

Hoe je hier als voorziening mee omgaat, hangt af van de mogelijkheden die je hebt. Vanuit je professionele houding als hulp- en dienstverlener zal je waarschijnlijk het welzijn en welbevinden van de cliënt voorop stellen. Een hedendaagse visie op zorg hecht veel belang aan het zelfbeschikkingsrecht van de cliënt: mensen die hulp nodig hebben, blijven baas over het eigen lichaam. Vanuit die redenering werd in het Woonzorgcentrum de hygiënische zorg voor de zusters door een vrouwelijke zorgkundige opgenomen. De mannelijke collega kon daar begrip voor opbrengen.

Toch is het niet altijd haalbaar om op de wensen van de cliënt in te gaan. Er is in de avond of nacht niet altijd een vrouwelijke arts beschikbaar. Of soms heeft een voorziening enkel vrouwelijke psychologen. Op zo’n moment is het belangrijk hierover met de cliënt helder te communiceren. Je erkent de vraag van de cliënt en de legitimiteit ervan, je geeft aan dat je weet dat het voor de cliënt een belangrijke bekommernis is, en vervolgens leg je uit dat het huidige aanbod het beste is wat je te bieden hebt: “Je zal het met mij moeten doen … Er is momenteel geen alternatief.” Vervolgens heeft de cliënt – vanuit het zelfbeschikkingsrecht – de vrije keuze om wél of niet op je hulpaanbod in te gaan. Het staat ieder van ons immers vrij om hulp te weigeren. Helder communiceren van de grenzen van het aanbod is hier de belangrijkste opdracht van de voorziening.  

 Mogelijke verbeteracties

  • We spreken onze potentiële cliënten of deelnemers aan en vragen feedback op onze plannen.
  • We betrekken de sleutelfiguren in onze doelgroep bij de modernisering van ons aanbod.
  • We doen een cliëntentevredenheidsmeting en hebben in het bijzonder aandacht voor mensen die één keer komen kennis maken, maar dan toch afhaken.
  • In de communicatie over ons aanbod benoemen we de meerwaarde voor de doelgroep: we omschrijven wat zij erbij te winnen hebben, vanuit verschillende referentiekaders.
  • We maken duidelijke afspraken in de groep en leggen die vast in een huishoudelijk reglement.
  • We pakken claimgedrag aan.

 

Jouw actie – Beoordeel je situatie op dit moment? Is BRUIKBAARHEID een drempel naar je aanbod of initiatief?

  • 5 punten = dit is helemaal geen drempel
  • 4 punten = we zijn goed bezig
  • 3 punten = het is redelijk
  • 2 punten = hier is nog werk aan de winkel
  • 1 punt      = dit is een grote drempel

Geef jezelf een score en schrijf ze op een papiertje. Bij tip # 10 heb je ze opnieuw nodig.

Morgen zijn we al bij de voorlaatste B aanbeland:  die van BEGRIJPELIJK. Dit gaat over taal, waarbij we niet enkel stilstaan bij het Nederlands, maar ook bij jargon en dialecten.

Graag tot dan!

Tip # 6 van 10 voor een bredere toegankelijkheid van je aanbod.

Ongecategoriseerd

Vandaag heb ik voor jou al tip # 6 van 10 om de toegankelijkheid van je aanbod te verhogen voor heel je doelgroep. Deze tip gaat over de vierde B in het rijtje. Merk je dat je een deel van je doelgroep niet bereikt, ondanks de inspanningen die je doet, stel je dan de vraag: zijn wij BETAALBAAR? En dat gaat niet alleen over de kostprijs in euro. Soms hangt er aan je aanbod ook een psychologische prijs vast …

Tip # 6 van 10: STEL JEZELF DE VRAAG: “ZIJN WIJ BETAALBAAR?”

Belangrijke vragen hier zijn:

  • Houden we rekening met de financiële draagkracht van iedereen in onze doelgroep bij het bepalen van prijzen voor deelname, maaltijden, drank, uitstappen, …?
  • Houden we er rekening mee dat de kosten van een babysit of openbaar vervoer zelfs een gratis activiteit duur kunnen maken voor een gezin met een beperkt inkomen?
  • Ontsluiten we voldoende de beschikbare tegemoetkomingen of subsidies die de kostprijs voor onze doelgroep kunnen drukken?
  • Als we een sociaal tarief voorzien voor mensen met een beperkt inkomen, doen we dat dan op een discrete manier?
  • Is er een psychologische prijs verbonden aan ons / onze activiteiten?

Probeer ook nu deze vragen te beantwoorden voor het segment in je doelgroep dat systematisch afwezig blijft. Wat mij het meest opvalt in mijn begeleidingen, is hoe moeilijk het is voor mensen die het financieel goed hebben, om in te schatten wat ‘duur’ is. Bij een spaghetti-avond op school of in het buurthuis worden vb. vaak de prijzen van 8 euro/volwassene en 5 euro/ kind gebruikt. Dat klinkt heel democratisch. Evenwel, voor een gezin met 3 kinderen is de rekening dan 31 euro … Voor een gezin met een leefloon of in schuldbemiddeling is dat het weekbudget voor eten. Weinig kans dus dat dit gezin het volledige budget voor eten voor een week op één avond zal opgebruiken … Ook al verlangen ze misschien wél naar contact met de buren of betrokkenheid bij de school …

Wat we ook vaak verkeerd inschatten, is dat het armoederisico bij mensen met een migratie-achtergrond in België aanzienlijk veel hoger ligt dan gemiddeld. De armoede in onze steden is in belangrijke mate een ‘gekleurde armoede’. We zijn te snel geneigd om een lagere participatiegraad van mensen met migratieachtergrond aan activiteiten, buurtleven of de schoolgemeenschap toe te schrijven aan onwil of desinteresse, terwijl vaak de betaalbaarheid de grootste drempel is.

En dan is er nog de psychologische prijs … Wat wordt daarmee bedoeld? Het gaat om de gevoelsmatige prijs die verbonden is aan activiteiten of diensten, ofwel omdat ze ‘ongebruikelijk’ zijn in de leefwereld van de persoon, omdat ze schaamte of schande opwekken, of omdat ze imagoschade veroorzaken.

Voorbeeld – Een gezin in armoede wil nog steeds niet deelnemen aan een uitstap naar het pretpark, ook al hebben de andere (lees: rijkere) deelnemers aangeboden om de kosten voor dit gezin onder mekaar te verdelen … Het gevoel van schaamte, of het gevoel bij de anderen ‘in de schuld’ te staan, kan zo oncomfortabel zijn dat thuisblijven gewoon de meer aangename optie is. De psychologische prijs is té hoog.

Voorbeeld – Een jongeman met Tunesische roots  wil graag politieagent worden, maar zijn gezinsleden hebben al meermaals een aanvaring met de politie gehad, waarbij ze vonden dat ze racistisch bejegend werden. Deze jongeman zal mogelijks een psychologische prijs betalen voor zijn droom. Het zou kunnen dat hij op onbegrip stuit of het verwijt krijgt een ‘verrader’ te zijn … 

Voorbeeld – Een bejaarde Congolese vrouw overweegt om – als ze zorgbehoevend wordt en het té moeilijk is voor haar kinderen om haar op te vangen – naar een Rust- en Verzorgingstehuis te gaan. Maar haar vriendinnen hebben haar verteld dat ze zich daar door een man moet laten wassen en dat de bewoners halfnaakt door de gangen dwalen … Dit vooruitzicht vervult haar met angst. Naast het financiële prijskaartje is er voor haar een zeer hoog psychologisch prijskaartje.

 Mogelijke verbeteracties

  • We doen onze activiteiten zoveel mogelijk gratis, zeker in grootstedelijke context. We bieden koffie, thee en kraantjeswater altijd gratis aan.
  • We voorzien gratis kinderopvang of een speelhoek bij activiteiten en vergaderingen.
  • We voorzien een sociaal tarief voor mensen in armoede. We communiceren dit helder en verzekeren een discrete procedure.
  • We werken met ‘vrije bijdrage’: iedereen geeft naar eigen vermogen.
  • We zijn alert voor signalen van een psychologische prijs en gaan in gesprek over manieren om deze naar beneden te halen (vb. door mensen met hun familie uit te nodigen en een persoonlijke rondleiding te geven).

 

Jouw actie – Beoordeel je situatie op dit moment? Is BETAALBAARHEID een drempel naar je aanbod of initiatief?

  • 5 punten = dit is helemaal geen drempel
  • 4 punten = we zijn goed bezig
  • 3 punten = het is redelijk
  • 2 punten = hier is nog werk aan de winkel
  • 1 punt      = dit is een grote drempel

Geef jezelf een score en schrijf ze op een papiertje. Bij tip # 10 heb je ze opnieuw nodig.

Morgen zijn we al bij de vijfde B aanbeland:  die van BRUIKBAAR.

Tot dan!